Abraham van Ploeg

Woonde in Rotterdam
Geboren te Rotterdam (1908)
Gedood te Kampen (13 november 1944) op de leeftijd van 35 jaar.


> Home

Bram van Ploeg was een Rotterdamse jood die op 13 november 1944 aan de kade te Kampen is doodgeschoten.

Hij behoorde tot de 50.000 Rotterdammers die op 10 november 1944 bij een razzia waren opgepakt; velen van hen werden over de Zuiderzee verscheept naar Kampen, waaronder Bram. Een ooggetuige vertelt: “Ik zag de kleumende en broodmagere mannen in de schepen uit Rotterdam. Opeens, – een paar korte schreeuwen, een knal – wordt er een man neergeschoten, met een nekschot, en dood het water ingeschopt. Ontzettend. De plek waar, kan ik nog aanwijzen. Ik hoorde zeggen: ‘Ik zei nog, doe die ster toch af!’- ‘Neen,ik ben een Jood…’ “ (Adri Vermeulen). Van Ploeg moet beseft hebben dat hij bij een controle van de papieren – met een J op zijn persoonsbewijs – toch door de mand zou vallen. De dader, een Oberleutnant, rapporteerde: “Das war ein Jude, und der war so frech [brutaal], da habe ich ihm erschossen. Das Blut kannste noch sehen” (Ben Sijes, De razzia van Rotterdam, 180).

Bram was in 1941 werkzaam als expeditieknecht bij een lijstenfabriek; bij zijn huwelijk (in 1929), stond hij vermeld als metaalbewerker. In het gezin waren twee dochters, een derde meisje was als baby gestorven. Zij woonden aan de Jacominastraat 24 op Rotterdam-Zuid. Toen de deportaties begonnen, in de zomer van ’42, was hij als zogenaamd “gemengd” gehuwde – zijn echtgenote Helena Maria Duiker was rooms-katholiek – , nog niet opgeroepen. Wel moest hij een ster dragen (mei 1942) en was hij werkloos gemaakt. Vanaf juli 1942 tot in april 1943 vonden er met grote regelmaat deportaties plaats van de joodse bevolking van de havenstad Rotterdam – die ongeveer 11.000 personen omvatte. Anderen waren of gevlucht of ondergedoken. Onder de gedeporteerden vier broers en drie zussen van Bram met hun gezinnen, en hun oude moeder Mathilde van Ploeg-van Bever. Enkele honderden, zoals hij, leefden nog met een “vrijstelling” bis auf Weiteres (tot er anders beslist zou worden). In juni 1944 moesten de gemengd gehuwde mannen zich melden voor tewerkstelling in Drenthe (vliegveld Havelte); in afwachting van de uitvoering van deze plannen werden zij aan het werk gezet in het Kralingse Bos. Bij de grootste en meest fatale razzia uit de Hongerwinter, waarbij hele wijken werden afgesloten en de mannen in de leeftijd van 17 tot en met 40 jaar, systematisch, straat voor straat, uit de huizen werden gehaald bestemming Duitsland, werd ook hij opgepakt. De bewoners van Zuid werden, via het stadion Feyenoord, in kolenschepen geladen. Zo kwam hij via de Zuiderzee in Kampen, een soort overlaadstation, terecht. Met het bekende gevolg. De jonge Henk van Ulsen (1927) wiens moeder bij het Rode Kruis in Kampen werkte (waardoor zij betrokken was bij de hulpverlening aan de Rotterdammers), waagde zich nieuwsgierig aan de kade en zag de mannen in de ruimen, onder het kolengruis: “Dat zijn nou jodenmensen…”, flitste door hem heen. Onder die velen was er één Jood, vanaf de kade riep zijn bloed.

ijsselkade

naar boven